Hoofdstuk 5

1990 – 2000 Groeipijn

Luchtfoto 1991

Op nieuwjaarsdag 1990 woonden er 9.034 mensen in de Stadspolder, waarvan 3.007 jonger dan 20 jaar.  Slechts 180 mensen waren 65 jaar of ouder. Een heel jonge wijk dus. De gezamenlijke basisscholen in de wijk hadden samen 1.179 leerlingen.

Al deze mensen woonden in de buurt Staspolder, ten zuiden van de spoorlijn, dat in de jaren ’80 volgebouwd was. In de jaren ’90 zouden de buurten Vissershoek en Oudelandshoek worden gebouwd.

Naamgeving van de buurten

In 1990 werd er een prijsvraag uitgeschreven voor de naamgeving van de drie buurten binnen de wijk Stadspolder. In Sterrenburg was dat nooit gebeurd zodat de drie buurten daar de inventieve namen Sterrenburg I, II en III hadden gekregen. Ook in Stadspolder zouden uiteindelijk drie zeer onderschei­den­de wijken komen die nu toch ook drie mooie onderscheidende namen zouden moeten krijgen.

Een serieuze suggestie kwam van het Landschapskundig museum van Historisch Geograaf Henk Visscheraan de Reeweg. Hij stelde voor om de inmiddels bijna volgebouwde eerste buurt ten zuiden van het spoor Oudelandshoek te noemen omdat deze aan de oostelijke uitloper van het Oudeland van Dubbeldam grensde. De buurt ten noorden van het spoor zou natuurlijk Rughoek genoemd moeten worden, naar de oude polders de Kleine Rug en de Grote Rug, die inmiddels tot spaarbek­kens getransformeerde poldertjes. De derde buurt ten westen van de Loswalweg. Voor de derde buurt die in de Nieuwe Stadspolder zou worden gebouwd bedacht hij de naam Nieuwhoek.

Maar na de nodige discussies besloot de gemeente toch de oudste wijk Stadspolder te noemen omdat die naam al zo ingeburgerd was. Het geheel van de drie buurten werd daardoor Stadspolders genoemd, de meervoudsvorm van Stadspolder, iets dat nog steeds soms tot verwarring zorgt. Over de uiteindelijke naam Vissershoek, genoemd naar de buurtschap ’t Visschertje, was dhr. Visscher wel tevreden. Die naam was ook zijn alternatieve keus geweest. De naam Oudelandshoek ging daardoor niet verloren, maar werd nu aan een andere buurt gegeven dan door de heer Visscher bedoeld.

Vooral koopwoningen

De bewoners van Stadspolder woonden in 1990 in 3.420 huizen, waarvan bijna een op de drie nog een huurhuis was. Vooral in de eerste vijf jaren van de jaren ’80 was vrijwel de gehele woningvoorraad nog een huurhuis, vooral sociale huur, maar vanaf 1990 was het vrijwel definitief gedaan met het bouwen voor woningcorporaties. In de jaren ’90 waren vrijwel alle gebouwde huizen koopwoningen.

De Nederlandse economie had zich inmiddels weer volledig hersteld van de economische crisis van begin jaren ’80 en ook in de jaren ’90 steeg de welvaart in Nederland vrijwel constant, met overigens een korte dip in 1992. Het economisch liberalisme vierde hoogtij tijdens de kabinetten onder CDA-premier Lubbers, maar nog meer vanaf 1994 tijdens de paarse kabinetten van PvdA premier Kok. Het besteedbare inkomen bleef gemiddeld stijgen en de vraag naar een koophuis steeg daardoor ook bij jonge startende gezinnen.

Toch bleven sociale huurwoningen van groot belang. Woningcorporaties hebben immers als kerntaak het huisvesten van mensen met een lager inkomen en daarbij in het bijzonder kwetsbare doelgroe­pen zoals jongeren met een geestelijke beperking, statushouders (erkende vluchtelingen) of andere mensen met een zogenaamd ‘rugzakje’.

Vissershoek

De eerste huizen in Vissershoek werden in 1990 gebouwd aan het Berlage-erf, gevolgd door het Van den Broekerf en het Rietvelderf. Alle erfnamen zijn hier zonder uitzondering vernoemd naar vernieuwende Nederlandse architecten uit vooral het begin van de 20ste eeuw.

Behalve bovengenoemde woningbouw werd ook al direct begonnen met de bouw van een nieuw Dienstencentrum aan het Dudokplein bij het stationsgebied. Daarin wordt onder andere een apotheek, een tandartsenpraktijk en een huisartsenpost gevestigd, waar ook de praktijk van dokter Vos naar toe verhuisde. Maar de bulk van het gebouw wordt toch ingenomen door 72 gestapelde woningwetwoningen voor ouderen. Niet alle bewoners van de Stadspolders waren immers jonge gezinnen. Stadspolders moest een wat meer diverse bevolkingsopbouw krijgen.

Op het grasveld naast het Dienstencentrum heeft eerst nog de Tafeltennisvereniging TTV haar keten mogen parkeren voordat ze naast de voetbalvelden van OMC langs de Recklinghausenweg verhuisden.

In Vissershoek is een zeer bijzonder architectonisch project te vinden. De ‘Groene Oever’ telt maar liefst 484 woningen aan het Van Ravensteynerf. Dit project, onder supervisie van prof. ir. K. Rijnboutt, haakt in op de wens om meer aandacht te besteden aan een strakke architectonische en stedenbouwkundige opzet. De Wantijdijk is prominent in het plan opgenomen, wat onder meer terug te vinden is in een bijzonder type dijkwoning. Het project dat in 1994/95 gebouwd is, bestaat uit zeer verschillende bouwvormen. De opvallendste zijn de vijf kwartronde woonblokken waartussen zeven gestapelde blokken zijn gebouwd. Al deze vrij dure koopwoningen kijken prachtig uit over het Wantij. Meer landinwaarts zijn meer reguliere rijtjeshuizen gebouwd, veelal premiehuurwoningen.

Het Koeienveld

Borden Loswalweg en Middelweg

Bij het ontwerp van de wijk is de nodige aandacht besteed aan groen. Zo zijn de van oudsher aanwezige wegen, watergangen en bomenstructuren zoveel als mogelijk bewaard gebleven. Zo zijn beide bestaande wegen, de Middelweg en de Loswalweg, bewaard gebleven. Soms was dat ook uit noodzaak. Een belangrijke ondergrondse leidingzone doorkruist nog steeds de wijk. Daarboven is nu een groenstrook is aangelegd.

Centraal in de Stadspolder is de ‘Centrale open ruimte’ aangelegd, beter bekend onder de naam ‘koeienveld’, genoemd naar de kunstkoeien die er als speelobject zijn geplaatst. Er wordt regelmatig gevoetbald en ook vinden er zo nu en dan evenementen plaats. Ook scholen maken er soms gebruik van voor hun gymnastieklessen.

Oorspronkelijk heeft er aan de noordkant ook een rosarium gestaan, maar dat is eind jaren ’90 weer verwijderd wegens de te hoge onderhoudskosten voor de gemeente.

Rosarium aan de noordkant van het koeienveld

Wel zijn er nog steeds een aantal speeltoestellen, ook een hoge investering door de gemeente door de hoge veiligheidseisen die er aan worden gesteld. De steeds verdergaande bezuinigings­verplich­tin­gen nopen de gemeente helaas tot het steeds weer herzien van het onderhoudsbudgetten waardoor ‘schraalhans’ steeds weer meester wordt. Er wonen immers steeds minder kinderen in de wijk.

De Bieshof

Met de bouw van het nieuwe winkelcentrum De Bieshof werd in 1993 gestart en in 1995 geopend. Ooit waren er voor de Stadspolders maar liefst 5 winkelcentra bedacht; twee hoofdcentra en 3 nevencentra. Dat was nog in de tijd dat de inkopen nog vaak dagelijks door huisvrouwen op de fiets werden gedaan. Maar de tijden waren veranderd. In de jaren ’90 was de auto toch echt de norm geworden. Twee grote centra met veel parkeerruimte was meer dan voldoende voor de wekelijkse inkopen. De Bieshof werd veel groter dan het winkelcentrum aan het Pearl Buckerf, dat inmiddels door veel gebruikers liefdevol “Het Kleine Pleintje” wordt genoemd.

Snackbar Oudelandshoek bij de toenmalige bushalte Bieshof in 1997

In tegenstelling tot het overdekte winkelcentrum in Sterrenburg is de Bieshof slechts half overkapt en hebben de winkels alleen een brede luifel voor hun winkels om de gebruikers bij regen droog te houden.  De wind heeft hierdoor vrij spel en dat zou bij harde wind, vooral uit het zuidwesten, wel eens veel klanten kosten, vreesde men. Met een maquette van de Bieshof zijn daarom speciaal windmetingen uitgevoerd om te bepalen hoe die wind het beste onder controle gebracht kon worden.  Daaruit zijn de luifels (ook fijn bij regen) maar ook het futuristisch vormgegeven dak van Cafetaria Verhage uit voortgekomen. Dat dak dient ervoor om bij zuidwestelijke wind de achterliggende winkels in de luwte te houden.

De maquette van de Bieshof waarop de windproeven zijn uitgevoerd

1n 1992, nog voordat met de bouw van de Bieshof begonnen was, was het winkelcentrum ook al uit een andere wind gehouden, namelijk uit de wind van de concurrentie. In dat jaar kreeg de gemeente Dordrecht maar liefst drie aanvragen van grote winkelketens, megastores, die wel brood zagen in al die nieuwe woningen die gebouwd werden: De Konmar, Ikea en het Belgische SuperConfex aasden alle drie op een vergunning om tussen Dubbeldam en de Stadspolders een vestiging te mogen bouwen. Maar volgens de Dordtse Ondernemingsvereniging DOV zou dat niet minder dan rampzalig zijn voor het Dordtse kleinbedrijf.

De Konmar mocht zich van de ondernemersvereniging wel in het centrum van Dordt vestigen, wat ze inderdaad gedaan hebben. De Belgische confectiekledingketen SuperConfex had met haar vestiging in Dordrecht ook de Nederlandse markt willen veroveren. In België had het bedrijf ooit maar liefst 42 vestigingen, maar kwam in grote problemen nadat grote frauduleuze handelingen aan het licht kwamen, waarna het in 2006 failliet ging. Anders lag dat met de nog steeds florerende IKEA, dat in 1978 juist haar eerste Nederlandse vestiging in het nabijgelegen Sliedrecht had geopend. Waarom dan 14 jaar later een nieuwe winkel in Dordrecht? Waarschijnlijk als vervanging van de Sliedrechtse vestiging, die in 2006 alsnog verhuisde naar Barendrecht. Maar het had dus net zo goed IKEA Stadspolders kunnen zijn geweest.

Dordtsche Gebakkraam

Ook de Dordtse Gebakkraam van George en Helen Reemer-Bouter kwam voor de winter van 1995 voor het eerst op de parkeerplaats naast de Bieshof te staan. De kraam was echter al 6 jaar eerder, vanaf 1989 vaste gast in de Stadspolder. Eerst stond ’s winters de kraam jaarlijks op het Suze Groenewegerf. En in het jaar 2020 stond de kraam uitzonderlijk lang in Stadspolders. Door corona was de markt in de binnenstad eerst een tijd gesloten en toen die weer openging mochten we er niet staan omdat het er te druk zou zijn. Daarom stonden George en Helen al vanaf 22 april 2020 en vertrokken weer in februari 2021.

NS-Station Stadspolders

Station Dordrecht Stadspolders

Op 26 mei 1990 opende burgemeester Noorland het nieuwe NS-station Stadspolders. Het station was weliswaar nog niet helemaal klaar want er moest nog een kantoortje gebouwd worden voor de kaartjesverkoop, dat pas in augustus van dat jaar gereed zou zijn. Maar op de openingsdag mocht iedereen tussen Stadspolders en Dordrecht Centraal gratis met de trein. De kaartverkoop zou alleen ’s ochtends voor half elf geopend zijn. Daarna moesten passagiers hun kaartje bij de conducteur kopen. In de ochtend- en avondspits reden twee treinen per uur in beide richtingen, buiten de spits was het een uurdienst.

De Merwede Lingelijn was al heel lang een voor de NS onrendabele lijn. In de spitsuren zat het “kleine treintje” altijd propvol, maar buiten die spitsuren had het een onrendabele bezettingsgraad van net 24%. Het jaarlijkse verlies van de lijn was 12 miljoen gulden. Nu was de NS wel gewend om verlies te lijden, maar het Ministerie van Verkeer en Waterstaat had inmiddels besloten dat in 2000 de NS zijn eigen broek zou moeten gaan ophouden. Daarom moesten er meer treinreizigers komen.

Dat potentieel was er wel. Immers, de totale vervoersbeweging op de oost-west-as tussen Tiel, Geldermalsen en Dordrecht steeg behoorlijk. Maar dat was vooral merkbaar aan het autoverkeer op de A15. Die snelweg liep vol, maar krijg die verstokte automobilisten maar eens in de trein!

Een ander probleem was ook het enkelspoor. Daardoor was een uitbreiding van de dienstregeling van een halfuursdienst naar een kwartiersdienst voorlopig ook nog onmogelijk.

Busdienst

Voor het door de gemeente geëxploiteerde Stadsvervoer Dordrecht (SVD) die de buslijn naar Stads­polders exploiteerde, was het de vraag of het nieuwe Station Stadspolders een afname of juist een toename in het aantal buspassagiers zou gaan opleveren. Ooit was de Eerste Dordtse Autobus Dienst (EDAD) een winstgevende particuliere onderneming geweest, maar dat waren busdiensten al jaren niet meer. Steeds meer mensen keerden het openbaar vervoer de rug toe ten gunste van de auto. In 1992 was het verlies overigens nog helemaal niet zo groot: op een begroting van 18 miljoen gulden was dat 8 ton. Dat werd in eerste instantie binnengehaald door een efficiënter dienstrooster: minder bussen in de avonduren, het opheffen van onrendabele lijnen en het verkorten van tijd die nodig is voor het afrekenen van de plaatsbewijzen, wat in de praktijk ook neerkwam op het verkor­ten van de plaspauzes voor de chauffeurs.

Lijn 5 naar Stadspolders werd met het toenemend aantal inwoners overigens wel steeds rendabeler. De keerlus bij het Johanna Nabererf werd opgeheven toen de Stadspolderring doorgetrokken werd door Vissershoek en bus 5 kon nu een rondje over de ring kon rijden. Toen er vanaf 1994 ook huizen werden bewoond in de nieuwe buurt Oudelandshoek werd al snel de nieuwe lijn 3 geïntroduceerd die via de Groenezoom een lus maakte over de Chico Mendesring en vervolgens ook nog een rondje reed over de Stadspolderring, in de omgekeerde richting van lijn 5. Daarmee verdubbelde daar dus de frequentie. Ook lijn 1 en sneldienst 15, met een directe verbinding naar het centrum, werden geïntroduceerd. Het aantal passagiers groeide dan ook snel, maar hetzelfde gebeurde ook met de exploitatiekosten. De tijdgeest eiste inmiddels dat openbaar vervoersdiensten meer moesten werken vanuit de markt en minder vanuit een sociaal gezichtspunt. Een onderzoek door het organisatiead­vies­bureau McKinsey gaf dan ook het advies om alle onrendabele lijnen te schrappen. Daarmee verdween deze extra lus van lijn 3 dan ook al na een paar jaar van de dienstregeling, net als de lijnen 1 en 15. De bus deed nu zelfs het treinstation en het nieuwe centrumgebied niet meer aan. Daarmee werd de bezettings­graad van de buslijn natuurlijk ook niet hoger. Oudelandshoek werd ook een ‘iets duurdere’ wijk waar de auto voor de meeste bewoner duidelijk het preferente vervoers­middel was.

Speeltuin Stadspolders

Logo Speeltuin Dordrecht Stadspolders

Stadspolders was een jonge wijk met veel jonge kinderen. Al in 1989 Kwam er een groepje ouders met jonge kinderen bij elkaar die het initiatief namen om in de wijk een speeltuin op te zetten. Dat lijkt een leuk idee, en dat was het ook, maar het uitvoeren van dat idee had nog heel wat voeten in de aarde. Dat wisten de oprichters ook wel, want er zijn meer speeltuinverenigingen in Dordrecht, waar ze een voorbeeld aan konden nemen. Al direct na de Tweede Wereldoorlog werd in het Land van Valk de eerste speeltuinvereniging van Dordrecht opgericht met de toen toepasselijke naam Victorie. In 1956 opende Speeltuin Oosterkwartier aan het Halmaheiraplein, in 1960 volgde Speeltuin Krispijn en in 1970 Speeltuinvereniging Wielwijk. De oprichters van Speeltuin Stadspolders hadden dus veel voorbeelden om van te leren. Samen waren er op dat moment in de regio zelfs acht speeltuinverenigingen die via de Federatie van Wijk- en Speeltuinverenigingen vriendschappelijke contacten onderhielden en ook gezamenlijke cursussen organiseerden op het gebied van organisatie, veiligheid en EHBO. Want er komt heel veel bij een speeltuin te kijken. Speeltuinen moeten aan de hoogste veiligheidseisen voldoen, het onderhoud moet perfect zijn, de kosten voor het gebouw, speeltoestellen en het onderhoud zijn hoog terwijl je de toegangsprijzen juist zo laag mogelijk wilt houden. Dat vergt allemaal een goede, bijna professionele organisatie. En het is toch allemaal vrijwilligerswerk.

Het duurde dan ook maar liefst zes jaar tot de Speeltuin Stadspolders haar deuren in 1995 kon openen aan de Meranti 50. De hoge toren met de lange glijbaan was bij de kinderen de grote trekker, maar ook de 50 meter lange kabelbaan die een jaar later in gebruik werd genomen was ook geweldig.

Speeltoestellen van speeltuin Stadspolders met op de achtergrond de Sequoia

Het gebouw van de speeltuin wordt ook gebruikt voor bijvoorbeeld kinderdisco’s en is te huren voor verjaardagen. Ook worden er ’s avonds voor volwassenen creatieve en andere cursussen gegeven. De verhuur van de binnenruimtes is dan ook een belangrijke inkomstenbron, naast gelukkig ook een subsidie van de gemeente.

1n 1997 werd voor het eerst ook Koninginnedag in de speeltuin gevierd met een vrijmarkt en een lampionnenoptocht. Dat werd een groot succes en de opmaat voor een mooie traditie. In dat jaar was de speeltuin ook de eerste speeltuin met een volwaardige internetsite. In 1998 werd de speeltuin zo druk bezocht dat uitbreiding nodig werd met flink wat nieuwe speeltoestellen en een jaar later is er zelfs een spartelbadje.

De kinderen in Stadspolders werden ondertussen ook wat ouder en de Speeltuin past zich aan door in 2000 te beginnen met het organiseren van kinderdisco’s voor de kinderen die de wipwap en glijbaan alweer wat ontgroeid zijn. Dat werd letterlijk en figuurlijk een daverend succes en veel van de eerste jeugdliefdes in Stadspolders zijn daar ontstaan.

Leeftijd1990200020102020
  5 t/m 9 jr8872.0231.424979
10 t/m 14 jr4871.6021.8151.206
Aantal kinderen in de Stadspolders 1990-2020

De eerste tien jaar van de speeltuin zijn zondermeer zeer succesvol geweest. Zelfs schoolreisjes uit andere steden hadden de Speeltuin Stadspolders als bestemming. Stadspolders was nog steeds een jonge wijk met heel veel jonge kinderen voor wie de speeltuin een geweldige speelruimte was.  Maar gedurende de jaren daarna groeide Stadspolders niet meer en kwamen er niet veel jonge kinderen meer bij. De speeltuin was opgericht toen het aantal kinderen in de wijk bijna op z’n hoogtepunt was, maar tien jaar later zat de krimp er al flink in. Dat merkte de speeltuin ook. Het bezoekersaantal groei­de niet meer zo hard, stabiliseerde zich en begon allengs langzaam te dalen.  De speeltuin begon nu ook activiteiten voor ouderen te organiseren, lezingen en cursussen, zaalverhuur voor vergaderingen. Ook het vrijwilligersbestand begon te krimpen. Immers, de meeste vrijwilligers hadden zelf kleine kinderen, maar toen die ouder werden gingen ook die ouders weer weg. Maar de onderhoudskosten bleven hoog en er bleef evenveel onderhoudswerk te doen.

En er was nog een factor die de speeltuin begon tegen te werken. Er kwamen te veel speelplaatsen in de Stadspolders. Het was immers gemeentelijk beleid dat er in alle buurten ook openbare speelplekjes zijn voor vooral de allerkleinste kinderen, vlakbij, liefst in het zicht van de woningen. Daar kwam dan een schommel, een glijbaan en een wipwap. Maar allengs kwamen er ook wel wat grotere toestellen. Die waren in de buurt en daar speelden de kleine kinderen ook heel graag met hun vriendjes uit de buurt. Ook op het ‘Koeienveld’ in Vissershoek, was het fantastisch spelen. En dat was allemaal gratis.

Ziet de toekomst voor Speeltuin Stadspolders er dus slecht uit? Dat hoeft helemaal niet. Als je kijkt naar de oudere zus van Stadspolders, de wijk Sterrenburg, dan zie je dat daar juist weer een baby­boom aan de gang is. Stadspolders vergrijst nu, maar dat was tot tien jaar geleden in Sterrenburg ook het geval. Maar inmiddels groeit en bloeit die wijk en worden er weer veel kinderen geboren. Beide wijken lijken heel erg op elkaar, alleen is Sterrenburg eerder gebouwd. De bevolkingsontwikkelingen die daar nu plaatsvinden zullen daardoor vertraagd ook in Stadspolders plaatsvinden. Het is dan ook te verwachten dat over een jaar of tien er ook in Stadspolders een kleine babyboom plaats gaat vinden. Maar tot die tijd moet de Speeltuin het dus wel overleven. 

In plaats van bij de pakken neer te zitten moest er dus wel actie ondernomen worden om tot die tijd te kunnen overleven. En dat kon alleen door met wat meer spectaculairdere speeltoestellen te komen. Speeltuin Stadspolders moest gewoon meer een attractieparkje worden.

Carrousel in Speeltuin Stadspolders

Die kans kwam er toen in 2015 de speeltuin het aanbod van de gemeente kreeg een prachtig nieuw speeltoestel, een grote carrousel, goedkoop over te nemen. Het speeltoestel, speciaal ontworpen door een groep Spaanse kunstenaars, was eigenlijk bedoeld voor een openbare locatie in Wielwijk, maar daar bleek het absoluut niet ‘hufterproof’ te zijn. De jongeren daar wisten het onbeheerde toestel snel te mollen het werd daar dan ook al snel weer weggehaald. Voor een laag bedrag mocht Speeltuin Stadspolders het toestel daarom overnemen. Daar is immers permanent toezicht. Doordat dit juist een leuk toestel is voor de iets oudere kinderen trok de speeltuin zo ook weer wat nieuwe leden aan.

Maar het blijft een moeilijke tijd voor de speeltuinvereniging die het voorlopig nog moet hebben van de zaalhuur voor feestjes en activiteiten voor ouderen. Het jaar 2020, met de grote corona-uitbraak, gooit daarbij ook roet in het eten.

Scholen

In het vorige decennium waren er in 1983 drie scholen gevestigd in de buurt Stadspolder: de Oranje Nassauschool, De Bever en de Geert Groote. De bevolking van Stadspolders groeide als kool met nog steeds veel jonge, kinderrijke gezinnen. Daarom werd het hoog tijd dat er in 1990 een tweede vaste scholenlocatie werd geopend, in de nieuwe buurt Vissershoek aan de andere kant van de spoordijk aan het Van den Broekerf. Daar verhuisde de Geert Groote naar toe en daar vestigden zich ook de nieuwe Protestant-Christelijke Johan Frisoschool en de Openbare Daltonschool De Bever zich. Basisschool de Bever dankt zijn naam aan het feit dat in 1990 in het recreatiegebied De Merwe­landen het beverobservatorium werd gebouwd. Zowel De Bever als de Johan Frisoschool verhuisden vijf jaar later alweer naar hun definitieve locatie in Oudelandshoek.

Ook in 1990 opende aan het van den Broekerf 30 het eerste kinderdagverblijf en BSO (Buitenschool­se Opvang) zich in de Stadspolders: COKD. In de tien jaar daarvoor was de mogelijkheid voor kinder­opvang voor werkende ouders zeer beperkt. Kinderen konden op de scholen opgevangen worden of particulier bij opvangouders. In de praktijk betekende dat ook dat de meeste moeders parttime of helemaal niet werkten. In die tijd iets minder uitzonderlijk dan tegenwoordig.

In april 1995 werd ook in Oudelandshoek het scholencomplex van de Johan Frisoschool geopend als aanvulling van hun school in Vissershoek.  Dit nieuwe veelkleurige gebouw aan de Chico Mendesring 196 in het midden van de wijk. Dat eerste gebouw was bij de opening in 1995 eigenlijk al te klein. In 1999 werd er weer een nieuw groot schoolgebouw van de Johan Frisoschool geopend, nu aan de Chico Mendesring 821, nog veel oostelijk in de wijk. Het eerste gebouw in Vissershoek kon daarmee worden afgestoten en werd daarna gebruikt als buitenschoolse opvang.

Basisschool de Bever

Basisschool De Bever staat sinds 1990 in de wijk Stadspolders. In dat jaar werd in het recreatiege­bied De Merwelanden het beverobservatorium geopend. Een belangrijke gebeurtenis voor Dordrecht. Omdat de school dicht bij De Merwelanden lag was de naam voor de nieuwe school daarmee snel gevonden. De hoofdlocatie was in die tijd een schoolgebouw aan het Van den Broekerf, in het deel­gebied Vissershoek. Als gevolg van een regeringsmaatregel moest de hoofdlocatie in oktober 1995 verhuizen naar de Chico Mendesring, in het deelgebied Oudelandshoek. Dit gebouw herbergt, naast elf klaslokalen, een speellokaal en diverse andere ruimtes. In dit gebouw zijn twee kleutergroe­pen gehuisvest

De Atlas

Basisschool de Atlas
Basisschool de Atlas

In Oudelandshoek is nog een school: de Atlas. Dat is een basisschool voor kinderen die vastlopen op reguliere scholen en psychische problemen hebben. Ze worden in reguliere scholen vaak overspoeld door de dagelijkse prikkels in de klas.

Zij krijgen in De Atlas de kans om onder begeleiding op een rustige plek op adem te komen met als doel om weer te leren om naar een reguliere school te gaan. De Atlas is een onderdeel van Yulius.

OKIDOKI aan het Selma lagerlöferf

Logo COKD Kinderopvang

Tot 3 april 1989 was er voor de kinderen van werkende ouders nog geen georganiseerde kinderopvang. Voor die gezinnen was overblijven op school dus nog de enige oplossing. Maar op die dag kwam er in twee verbouwde woonhuizen de eerste kinderopvang. Mireille Mes was op het Selma Lagerlöferf 44/45 een kinderdagverblijf begonnen. Op dat moment waren er in heel Dordrecht nog maar twee andere kinderdagverblijven, waarvan er maar een gesubsidieerd werd door de gemeente zodat ook kinderen met lagere inkomens er gebruik van konden maken. Nadat ze in 1997 een enquête hield waarin ze de behoefte aan kinderopvang in Stadspolders polste schreef Mireille een beleidsplan om subsidie te kunnen krijgen. Die behoefte bleek zo groot dat de gemeente inderdaad de subsidieaanvraag honoreerde, waarna ze in 1998 met de opvang voor 24 kinderen van nul tot vier jaar oud begon. De opvang groeide al snel uit z’n jasje en in 1997 waren er al 250 kindplaatsen bezet, wat neerkwam op 500 kinderen, omdat de meeste kinderen maar een paar dagen opvang nodig hadden.

COKD aan het Selma Lagerlöf-erf

Vier jaar later, in 1993, waren al die kinderen boven de 4 jaar, In 1993 kwam er een nieuwe locatie ‘Ratjetoe’ aan het Van den Broekerf voor de jongste kinderen en bleven de kinderen ouder dan vier jaar in de locatie “Drie woonhuizen” aan het Selma Lagerlöferf, waar inmiddels een derde woning aan toegevoegd was. Zo bleef de situatie tot 2010. Toen was er inmiddels ook voor kinderen van negen jaar en ouder behoefte aan een eigen honk. De woonhuizen waren hiervoor uitermate geschikt. Een game room, een kamer om lekker in te lezen of met vriendinnen geheimen te delen. Een muziekzolder en een ruimte om te chillen mochten natuurlijk ook niet ontbreken. De locatienaam werd omgedoopt tot het stoere ‘Het Selma’. De jongste kinderen van Okidoki verhuisde naar een mooie ruimte in basisschool De Griffioen.

 In 1999, tenslotte, fuseerde OKIDOKI met de Blije Hoek uit het centrum van Dordrecht en ontstond de huidige COKD Kinderopvang. In 2012 sloot de locatie aan het Selma Lagerlöferf uiteindelijk weer en werd de locatie weer terug verbouwd tot drie gewone woonhuizen.

COKD aan het Van der Broek-erf

Inmiddels was het COKD al behoorlijk gegroeid in de Stadspolders. In Vissershoek is Villa Ratjetoe geïntegreerd in het gebouw met de Geert Groote aan het van der Broekerf 30

Aan de Mahoni, hoek Chico Mendesring, was bij de nieuwe locatie van OBS De Bever ook een BSO geopend: Villa Ratjetoe van het SKD, de Stichting Kinderdagverblijven Dordrecht.

Kinderdagverblijf Groenland

In 1999 opende nog een groot Kinderdagverblijf in Oudelandshoek: Groenland. Ze begonnen eerst nog even tijdelijk in een woonhuis aan het Bakemaerf, maar later datzelfde jaar werd er een groot pand geopend aan het Chico Mendesring 817 door niemand minder dan de voormalig olympisch zwemkampioene, voorzitster van het NOC*NSF en inmiddels staatssecretaris Volksgezondheid Welzijn en Sport, Erica Terpstra.

Politiebureau en stadswachten aan het Selma Lagerlöferf

In 1993 begon het aantal opgeschoten jongeren aardig te groeien. Die gingen buiten spelen, de omgeving verkennen, hun vrijheid ontdekken. De schoolpleinen van de lagere scholen waar ze inmiddels al af waren werden na schooltijd hun hangplekken. Er was voor die leeftijdsgroep nog weinig te doen. Ze begonnen zich te vervelen, te hangen, hun grenzen op te zoeken, kattenkwaad uit te halen en wat jongeren in die leeftijd al niet meer deden. Maar soms gingen ze ook iets te ver. Als je de grenzen zoekt, ontdek je die immers pas als je daar overheen gaat.

Maar de omwonenden hadden daar behoorlijk last van. Het bleef ook niet bij een balletje trappen, de bal ging ook wel eens tegen de ramen van woningen. Omwonenden vreesden voor hun ramen en voor hun geparkeerde auto’s. Dan werd de politie gebeld maar die moesten van ver komen. Wijkagent Andere Fok kon dat in zijn eentje niet meer aan. De overlast werd zo erg dat besloten werd recht tegenover het speelterrein van de Griffioen, in het woonhuis Selma Lagerlöferf 47, een kleine politiepost in te richten dat daar tot 2003 bleef, toen het hoofdbureau van de regio Zuid-Holland Zuid op de Vissersdijk werd gevestigd.

Kees Oud Ammerveld is daar jarenlang een van de zes gebiedsagenten geweest. Recherchewerk was niet het grootste aandachtspunt, want Stadspolders was een relatief veilige wijk. Milieudelicten en vooral verkeersveiligheid vroegen veel meer aandacht. Vooral de verkeerschaos bij scholen, waar nogal wat ouders hun kinderen met de auto brachten, was een aandachtspunt. Dat deden ze onder andere door de verkeersouders die daar het verkeer probeerden te regelen te ondersteunen. Ook opgevoerde brommers was een aandachtspunt, maar vooral de veel te hoge snelheden van auto’s over de Stadspolderring was een zorgelijk aandachtspunt.

De politiepost werd ook de basis van het eerste koppel van stadswachten die in de Stadspolders gingen surveilleren. Stadswachten waren al vanaf 1989 een begrip in Dordrecht toen de stijging in de kleine criminaliteit zoals fietsendiefstal en vandalisme uit de hand begon te lopen. Dat bleek effectief te zijn. De Stadswachten waren voormalig langdurig werklozen die een opleiding beveiliging kregen. Ze zijn ongewapend en moeten het vooral van hun aanwezigheid zelf hebben. En soms deden ze mee met gecombineerde acties met de politie om er bijvoorbeeld op te wijzen dat fietsen op de winkelcentrums echt verboden is. Het bleek een succesformule. In 1995 kwam het eerste koppel in Stadspolders patrouilleren, in 1998 gevolgd door nog een koppel.

De Stadspolderring wordt een voorrangsweg

De verkeersveiligheid, vooral op de Stadspolderring, was een heikel punt maar over de oplossing daarvoor waren de meningen behoorlijk verdeeld.  Op dat moment was de Stadspolderring nog geen voorrangsweg en moest iedereen op die brede asfaltweg het verkeer van rechts uit een zijstraat voorrang geven. Dat hield de snelheid op de ringweg er flink uit, maar veroorzaakte toch ook wel wat ongelukken. Verkeerskundigen adviseerden dan ook om de Stadspolderring een voorrangsweg te maken. Dat was voor de weggebruiker logischer. Veel bewoners hadden echter een andere mening en vreesden dat de Stadspolderring een racebaan zou gaan worden, met veel ernstigere gevolgen. Er werden bewonersavonden belegd waar verhitte discussies werden gevoerd. De emoties werden er niet minder toen uiteindelijk toch besloten werd er een voorrangsweg van te maken. Als extra veiligheidsmaatregel kwamen er wel wat wegversmallingen in en verkeersdrempels. Maar dat zou, volgens de verhitte tegenstanders het gevaar alleen maar verhogen omdat daarmee de aandacht van de bestuurders juist afgeleid zou worden.

De verkeerskundigen kregen gelijk. De Stadspolderring werd vanaf mei 1998 een voorrangsweg en het aantal ongevallen nam er significant af. Er was alleen één nadeel: bij de wegversmallingen heeft de auto die er het eerste is voorrang. Maar als beide tegenliggers menen dat ze eerder zijn en tegelijkertijd met hoge snelheid doorrijden is de botsing frontaal. Daarvoor heeft de ambulance wel eens heel hard moeten rijden.

Circus Royal

Circusartiest

Stadspolders is tussen 1989 en 1999 de thuisbasis geweest voor Circus Royal. Dit van oorsprong reizende circus van de cir­cusfamilie Teuteberg had Dordrecht als standplaats. Circus Royal is al oud. Het begon al in 1896. Maar net als veel ande­re circussen overleefde het reizende circus de tweede wereldoorlog niet. Vader Anthonie Teutenberg hield er mee op, maar bij zoon Joop Teuteberg, acro­baat en clown, bleef het clownsbloed stromen. Een paar keer per jaar trad hij op in Circus Tony Boltini en vormde samen met zijn vrouw het clownsduo Los Gino’s, ook in te huren voor feesten en partijen.

In 1989 kochten ze een stukje grond voor hun winterverblijf aan de Sikkelstraat en daar vond in 1994 de wedergeboorte van Circus Royal plaats. Kinderen en volwassenen uit de wijk zag je daar beesten belijken en aaien. Ze staakten met reizende voorstellingen en gaven er hun befaamde spectacu­laire Winter-Kersrtcircussen, waarvoor ze ook diverse acts van andere artiesten wereldwijd inhuurden.

Circusolifant

Als je toen op de fiets vanuit Stadspolders naar Dubbeldam reed kwam je langs de circustent en de dieren. Er stond altijd wel een beest buiten of er liep iemand. Kinderen vonden het heerlijk een echt circus zo dichtbij. Ieder jaar kochten veel Dordtenaren kaartjes voor het Kerstcircus. Het was dan net een grote gezellige familie in de tent. Het was er koud, maar gezellig dat het was. Er werden oliebollen uitgedeeld en een glaasje glühwein voor de volwassenen.

Na een aantal jaren is het circus binnen Dordrecht verplaatst. Het heeft nog een paar jaar naast het oude Refaja ziekenhuis gestaan, voor het huidige Van der Valk-hotel) en als laatste op de parkeer­plaats voor de Sportboulevard. Door oude schul­den en tegenvallende kaartverkopen viel in janu­ari 2014 het doek voor Circus Royal. Het Maar heeft nog net het 25-jarig jubileum kunnen vie­ren. Het circus lag overhoop met de belasting­dienst en uiteindelijk volgde een faillissement.

Kerstadvertentie van het circus met opgetuigde paarden

Inmiddels zijn er nog maar weinig circussen over, want door de strenge regelgeving en wetten voor het houden van dieren en slechte verkoopcijfers konden deze het hoofd niet meer boven water houden. Het is jammer dat zo’n mooi erfstuk verdween, maar mooi dat onze wijk nog een laatste hoofdstuk heeft meegemaakt.

Maar een balletje kan raar rollen. “It ain’t over untill the fat lady sings” is een gezegde uit de variété-wereld. In maart 2021 kwam er toch weer een onverwacht beweging in het circus­balletje waarbij nog onbekend is welke kant dat op zal gaan. In het AD bevestigde Toni Teuten­burg dat de circusfamilie toch weer heet voor­zich­tig overweegt het circus nieuw leven in te blazen. Op een Facebookpagina had iemand wat oude foto’s van het circus gedeeld waar honderden reacties op waren gekomen. Een petitie voor de doorstart van het circus werd in een mum van tijd getekend. En het bloed kruipt waar het niet gaan kan bij de familie, die inmiddels weer schuldenvrij is. Wie weet of Joop Teutenburg, inmiddels 74 jaar jong, nog eens zijn spreekstalmeesterskostuum aan gaat trekken om het hooggeëerde publiek te vermaken. Ook kermisorganisator Duursmagroep toont interesse. Op de oude locatie aan de Ploegstraat is inmiddels niet veel plek meer, maar de Laan van Europa wordt nu getipt voor een locatie voor een mogelijk Kerscircus.

Buitenstad

In 1965 had de indertijd nog zelfstandige gemeente Dubbeldam in een poging om aan annexatie door Dordrecht te ontkomen een plan gemaakt voor de bouw van een enorme nieuwbouwwijk voor ongeveer 40.000 inwoners, ruim vier keer zoveel als Dubbeldam er toen zelf had. Daarmee zou Dubbeldam een serieus te nemen zelfstandige gemeente moeten worden. Die nieuwbouwwijk zou vrijwel het hele gebied tussen Dubbeldam en de Kop van ’t Land ten noorden van de Zeedijk hebben omvat. Dat plan ging door de annexatie niet door. De wijk stadspolders die later nog wel gebouwd is, was geen onderdeel van Buitenstad. De Stadspolder was, zoals de naam al aangeeft, altijd al een polder van de stad Dordrecht geweest en de plannen voor onze wijk bestonden al eerder.

In 1992 kwam er wel een vervolg op: Buitenstad. In dat jaar stelde de Dordtse gemeenteraad een nieuwe Structuurvisie vast, waarin weer nieuwe uitbreidingslocaties werden aangekondigd. Er zou ten tot 2005 zo’n 12.000-13.000 woningen gebouwd moeten worden voor ruim 25.000 inwoners.  Daarvoor waren al afspraken gemaakt met de overige Drechtstedengemeenten en de Provincie Zuid Holland. Ook binnen de gemeenteraad werd dit plan door werkelijk alle politieke partijen, van links tot rechts, positief ontvangen. Voor de vorm werden er nog wel wat opmerkingen over gemaakt, maar in september 1992 werd de Structuurvisie ongewijzigd door de Gemeenteraad vastgesteld.

City Fruitfull

Illustratie City Fruitfull

Buitenstad zou een wat ruimer opgezette nieuwbouwwijk worden ten zuiden en vooral ten oosten van Dubbeldam. In de zuidelijke deellocaties waren de plannen zelfs zeer ruim. Daar was de “Verborgen Stad” gepland in het gebied ten westen van de Stevensweg. Dit enorme gebied zou zo ruim opgezet worden met woningen in het “topsegment” dat het eigenlijk als woonwijk niet meer te herkennen zou zijn. Dit werd in 1995 uitgewerkt tot ‘City Fruitfull, de Tuin van Dordt” met maar liefst 1600 luxewoningen vervlecht met 15 tuinbouwbedrijven op een oppervlak van 80 hectare. Een gewaagd en zeer innovatief experiment dat door de tuinbouwsector werd omarmd. Het idee was dat je in de stad weer ziet hoe het eten groeit. Het project kreeg veel aandacht, ook landelijk, maar het bleek toch onhaalbaar. Er waren te veel obstakels aan het plan. Het uitgewerkte plan bleek helemaal niet zo ecologisch. Zo waren er milieuproblemen met afvalstoffen en de lichtuitstraling van de kassen. Uiteindelijk zagen ook de tuinders zelf er geen brood meer in. Commercieel was het totaal onhaalbaar. Met de ontwikkeling van dit gebied werd even pas op de plaats gemaakt.

Maar in het gebied ten oosten van Dubbeldam en ten zuiden van de inmiddels grotendeels al volgebouwde Stadspolders was nog wel ruimte voor woningbouw. Omdat er ook wat compacte verdichtingslocaties in de bestaande stad waren aangewezen waar wat hoogbouw kon komen, werd het aantal woningen in Buitenstad teruggebracht naar maximaal 8.000, en liefst zelf minder dan dat. En er werd ook afgesproken om de oostgrens wat verder van de Kop van ’t Land af te leggen. Dan bleef daar nog een 700 meter brede groene zone over. Maar verder stond niets de uitvoering van dit bouwplan meer in de weg.

Actiecomité Buitenzorg

Maar ook hier kwam een kink in de kabel. Sjako van der Merwe runde samen met zijn vrouw Edith een klein hotelletje met een uitstekend vegetarisch restaurant aan de Zeedijk bij de Kop van ’t Land. Hij verdiepte zich in alle rapporten over Buitenstad en zijn initiële verbazing sloeg om in ontsteltenis. Hij ontdekte dat de cijfers over de behoefte aan woningen die de gemeente voor de ontwikkeling van Buitenstad gebruikte gewoon niet waar waren. Met wat creatief boekhouden met het gebruik van inmiddels verouderde ramingen was er van een veel te hoge woningbehoefte uitgegaan. Zo zouden er veel meer woningen gebouwd gaan worden dan nodig. Er zou dus niet gebouwd worden voor de behoefte aan woningen, zoals altijd beweerd, maar voor de wens van Dordrecht om te groeien. Die behoefte moest dus eerst nog gecreëerd worden. Dat werd ook duidelijk toen er billboards langs diverse snelwegen verschenen om mensen van buiten Dordrecht te interesseren voor een woning in Buitenstad en dus niet voor de woningzoekenden uit Dordrecht zelf.

Sjako en Edith richtten samen met geestverwanten Ad en Ineke Gravendeel het actiecomité Buitenzorg op. Edith schreef indertijd: “In ons restaurant hoorden we steeds vaker mensen praten over de bouwplannen. Op weg naar de Kop van ’t Land passeer je het bedreigde gebied. Wat ons opviel, was dat de meeste mensen geen idee hebben van de omvang van de geplande wijk. Ze denken dat het maar om één poldertje gaat, terwijl het een gebied betreft met een omvang van 400 voetbalvelden. Dit plan is een enorme aanslag op de natuur en rust op het Eiland van Dordrecht.”

Zij kregen ook steun van natuurverenigingen, die de waardevolle elementen in het gebied hadden geïnventariseerd. Er zitten veel soorten (roof)vogels en vleermuizen, er lopen reeën, het is echt een overloopgebied naar het Nationaal Park De Biesbosch. Ook cultuurhistorisch is het gebied van grote waarde. “Hier kan je nog zien hoe na de Sint Elizabethvloed het land teruggewonnen is op het water. Het stelsel van dijken om het gebied, de Oudendijk, Zuidendijk en Zeedijk zijn al eeuwenoud”.

Ook het aan de Reeweg gevestigde Landbouwkundig Museum en Documentatiecentrum van Henk Visscher schaarde zich achter actiecomité.

Dordt Spreekt

Ook vanuit de politiek kwam hulp. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1994 had de nieuwe partij ECO-Dordt zetels gewonnen. Lijsttrekker daarvan was Piet Sleeking, die een blijvertje in de Dordtse Politiek werd. ECO-Dordt ageerde tegen de gevestigde Dordtse politiek die met name werd bepaald door de PvdA. Met deze politieke steun bereikte het actiecomité dat er een formeel inspraaktraject werd opgestart: ‘Dordt Spreekt’. Er werden ook 23.000 handtekeningen verzameld van medestan­ders van hun bezwaren. Dat leidde in 1995 tot een voorlopige bouwstop en een opdracht aan het Sociaal Geografisch Bureau om de bevolkingsgroei en de daarvoor benodigde huizen in Dordrecht tot 2005 nog eens goed door te rekenen. Zij kwamen uit op slechts 215 woningen, waarbij het recent bedachte plan voor de bouw van de Sequoia nog niet eens was meegerekend. Dat leidde een jaar later tot het formele einde van Buitenstad, maar nog lang niet het einde van de bouwplannen in de polders.

De gemeente had zo de bouwplannen weliswaar bijgesteld van 8.000 naar 4.400 woningen, maar de doelstelling was inmiddels al lang niet meer woningen voor woningzoekenden uit Dordrecht te bouwen maar het aantrekken van zoveel mogelijk rijke inwoners. Immers, Dordrecht had ooit in vooral de vooroorlogse uitbreidingswijken een overvloed aan kleine arbeiderswoningen gebouwd. Daarom moest er nu dus gebouwd worden voor nieuwe, vooral vermogende inwoners. Daarvoor werd in 1997, een eerste plan gemaakt in de vorm van de nieuwe wijk De Hoven. Die wijk zou uiteindelijk de enige locatie van Buitenstad worden en is uiteindelijk pas, nadat Stichting Buitenzorg weer was opgeheven en de ophef was geluwd, tussen 2004 en 2009 werd gebouwd. Eigenlijk is De Hoven dus Buitenstad-Noord, maar die naam was inmiddels besmet. Om aan te geven dat het een chique wijk betreft zijn de straten van deze wijk vernoemd naar adellijke geslachten.

Golf en Wonen

Kaart locatie Belthure Park

Het einde van Buitenstad beteken­de echter nog niet het einde van de bouwplannen in de polders. In 2003 besliste de gemeenteraad voor een nieuw bouwplan: Golf en Wonen. Dat zou, zoals de naam al aangeeft, een zeer luxe woonwijk moeten worden ten oosten van Sterren­burg en ten zuiden van Dubbel­dam. Op dat enorme gebied zouden 220 zeer luxe villa’s gebouwd moeten gaan worden in vier blokken op een ruimte waar verder een 18-baans golfbaan zou moeten gaan komen. De officiële naam was Belthurepark, maar die werd alleen in de officiële stukken gebruikt. Het plan was de overtreffende trap van het gemeentelijke beleid om steeds meer te kiezen om te bouwen voor rijke mensen in plaats van voor modale woningzoekers, mensen die betaalbare woningen zochten. Dordrecht had immers in de oudere uitbreidingswijken in het verleden vooral goedkope arbeiders­huizen gebouwd en wilde nu dus vooral rijke inwoners trekken. De overtreffende trap dus nog van De Hoven.

Illustratie in kaart van Golf en wonen

De grond was nog in particulier eigendom van de boeren en de gemeente begon daarop stukje bij beetje de grond op te kopen dat drijft natuurlijk de kosten op zodat de grond duur werd. Ook moest voetbalclub Dubbeldam ervoor verhuizen.

Al met al duurde het heel lang voordat met de bouw kon worden begonnen. Daar kwam bij dat de gemeenteraad ook sterk twijfelde. Formeel bleef er een meerderheid voor, maar die zou bij een volgende verkiezing zomaar kunnen veranderen in een minderheid. De politiek toonde dus ook geen erge haast. Die impasse duurde maar liefst bijna 14 jaar. Toen, eind 2016, blokkeerde de Raad alsnog het Plan Belthurepark en nam haar verlies.  Het plan leek definitief van de baan, maar eind 2020 bleek het toch weer door de provincie Zuid-Holland in een beleidsstuk terug te komen. Dat zou een vergissing zijn en daar gaat de gemeente Dordrecht nu toch maar van uit. Maar toch… Projectontwik­kelaar Bouwfonds claimt nog een schadevergoeding van negen miljoen euro. Daarover wordt nog steeds onderhandeld.

En eind jaren ’90 werden er nog een groot aantal andere bouwplannen gemaakt, ook dichter bij Stadspolders. Daar wordt in het volgende hoofdstuk verder op in wordt gegaan.

Oudelandshoek

Luchtfoto 1994

Niet lang na het begin van de woningbouw in Vissershoek in 1990 werd in 1992 begonnen met het woonrijp maken van Oudelandshoek, de nieuwe buurt ten westen van de Loswalweg.  Deze laatste uitbreiding van Stadspolders moest nog iets luxer en mooier worden dan de Stadspolder en Vissershoek. Dat blijkt ook wel uit de gemiddelde woningdichtheden van de drie wijken in Stadspolders. In de Stadspolder zijn 42 woningen per hectare gebouwd. In Vissershoek waren dat er 38 en in Ouderlandshoek zijn slechts 30 woningen per hectare gebouwd.

De eerste woningen aan de Meranti werden in 1994 opgeleverd. Daarna ging het bouwtreintje snel en in 1997 was de hele wijk opgeleverd, met als kroon op het werk de 23 verdieping tellende woontoren de Sequoia.

Tropisch hardhout en rivieren

In Oudelandshoek werden de straatnamen niet meer genoemd naar personen maar naar tropische houtsoorten en rivieren in vooral Latijns-Amerika. De hoofdring werd wel genoemd naar een persoon, Chico Mendes, een op 22 december 1988 vermoorde Braziliaanse vakbondsleider en milieuactivist. Hij streed tegen het kappen van het tropisch regenwoud om er snelwegen en grote veefokkerijen aan te kunnen leggen. Voor de indianen die er woonden volgde een gedwongen uittocht naar de sloppenwijken in grote steden. De moordenaars zijn wel gepakt maar in hoger beroep weer vrijgelaten.

De meeste erven in Oudelandshoek zijn genoemd naar veelal door roofbouw gewonnen hardhout uit het regenwoud, niet alleen uit Latijns-Amerika, maar ook uit Afrika en Z.O. Azië. Andere erven zijn genoemd naar rivieren die door die tropische regenwouden stromen en waarover dat hardhout wordt vervoerd. Ook hier is die naamgeving niet consequent doorgevoerd. De Colorado-rivier stroomt vooral door de droge woestijngebieden van de Verenigde Staten, onder andere door de Grand Canyon. Maar ook hier is sprake van roofbouw: door het intensieve watergebruik voor irrigatie is de benedenloop van die rivier nagenoeg volledig opgedroogd. Sinds de jaren 1960 bereikt het water van de Colorado nog maar zelden de zee.

Wonen in een modderpoel

Ed Bomius vertelde 20 jaar later in de Polderkrant hoe de oplevering was van zijn eerste woning in 1994 in Oudelandshoek. Eerst de huizen opleveren en pas veel later de bestrating.

“In oktober 1994 werd onze woning in de nieuwe wijk Oudelandshoek opgeleverd. Na een fikse vertraging door een dwarsliggende leliekweker was de bouw pas in 1993. Ons huis in Brabant was inmiddels verkocht. Wij woonden tijdelijk in een particuliere huurwoning in Stadspolders met de hoogstnoodzakelijke inventaris, de rest was bij een verhuizer opgeslagen.

Eén grote modderpoel

Het hoosde van de regen tijdens de oplevering. Misschien een voorteken? Dankzij een goed advies van de “Vereniging Eigen Huis” had we een lijst met 26 actiepunten die de aannemer moest herstel­len. Dat had je als gewone sterveling echt niet kunnen zien. De keuken werd helemaal afgekeurd. Nadat alle vloeren bekleed waren verhuisden wij alvast met onze (beperkte) inventaris toch wel blij naar onze nieuwe woning. Het regende pijpenstelen op die dag. De bouwstraten waren nog niet verhard. Het was één grote modderpoel.

Onze woning, bouwnummer 52, dat vergeet ik nooit meer, zat bij de tweede serie die opgeleverd werd. Van de hele rij waren wij de eerste bewoners.  De woningen in Oudelandshoek werden in rap tempo gebouwd. De toenmalige Groen Links wethouder Willy Verbakel sloeg iedere week wel een eerste paal voor de van oorsprong milieuvriendelijke, verkeersveilige wijk. Eigen parkeerplaatsen voor de bewoners, bezoekers langs de ringen parkeren, gescheiden watersystemen, veel groen en géén toepassing van hardhout.

“Not amused”

Iedere ochtend rond zeven werden we gewekt door de bouwactiviteiten. Gordijnen open en we keken toen nog uit op de N3. De aannemer was nog druk met de bouw. Er liep een oude timmerman rond die kleine reparatieklusjes deed. Hij is veel bij ons aan de deur geweest. Mijn zoon sliep op de boven­verdieping, waar zich een deur naar buiten bevond. Hij had de eerste nacht in zijn nieuwe kamer doorgebracht en vroeg aan ons of het normaal was dat hij onder de deur door naar buiten kon kijken. Ik sjokte met mijn laarzen aan door de modderige bouwstraat naar de uitvoerder in zijn keet. Ze waren vergeten om de tochtstrippen te plaatsen bij alle woningen, die moesten nog worden besteld. Op een woensdagochtend, ik was net uit bed, werd onze voordeur geopend en stonden er twee schilders in de gang om nog wat afwerking te doen. Ze waren stomverbaasd dat wij “not amused” waren. We hebben de sleutel die nog in de keet hing direct ingenomen!

Bagger

Het was een enorme moddertroep. Het voelde als op een Franse gemeentecamping (“municipal”) als ik soppend door de modder mijn vuilniszak in de centrale afvalcontainer ging brengen. Toen de verhuizer onze opgeslagen spullen zou komen brengen heb ik geadviseerd om te komen met een niet te zware verhuiswagen om niet weg te zakken in de modder. We hadden een pad van pallets gemaakt zodat de verhuizers niet onze nieuwe vloeren zouden bevuilen. Veel leveranciers die af en aan reden zakten soms tot aan hun assen weg in de modder. De man die er speciaal met zijn tractor voor rondreed was ook de rotste niet en wilde wel even een “rukkie” geven ……voor vijftien gulden!

Naweeën

In december, twee maanden na de oplevering waren alle gebreken hersteld. Dachten wij. De keuken als laatste. Maar met keukens bleek van alles mis te gaan. Er liepen nogal eens buurvrouwen met betraande ogen het huis uit omdat de droomkeuken niet echt was wat ervan verwacht werd. In die periode werden dan ook alle huizen letterlijk uit de grond gestampt en in ijltempo opgeleverd, ook de keukens. De keukenboeren kwamen handjes tekort. De kwaliteit van de bouw was goed maar de afwerking binnen vaak minder.

Anderhalf jaar later dáchten dat alles in orde was – er lag inmiddels bestrating en het groen was aan­ge­plant. Maar toen viel de cv-ketel van de muur. En niet alleen bij ons, maar bij nog 17 woningen in dit project. Het was carnaval dus de Brabantse hoofdaannemer en de installateur waren onbereik­baar. Gelukkig heeft toen ons onderhoudsbedrijf, die heel snel ter plaatse was, een noodreparatie verricht. Er bleken verkeerde pluggen gebruikt in een scheidingsmuurtje.

Ik woon nog steeds, ondanks de startproblemen, met heel veel plezier in Oudelandshoek.

Parkeren

In tien jaar kan er veel veranderen. Een van die veranderingen is het alsmaar toenemen van het autobezit. Was het bezit van een auto in de jaren ’50 nog een luxe, in de jaren ’80 had elk gezin wel een auto waarvoor een parkeerplaats nodig was, liefst vlak voor de voordeur. Bij het ontwerp van Stadspolder was dan ook nog maar rekening gehouden met een parkeernorm van 1,00 tot 1,25 parkeer­plaats per woning. Daarbij waren ook de parkeerplaatsen meegeteld op eigen terrein. Veel huizen hadden een eigen garage of een oprit om de auto te parkeren op eigen terrein.  Tien jaar later werd er in het ontwerp van Vissershoek inmiddels al rekening gehouden met 1,20 tot 1,30 parkeerplaatsen per woning. In Oudelandshoek werd de parkeernorm nog iets verder opgeschroefd. Hier werden 1,25 – 1,35 parkeerplaatsen per woning ontworpen. In die laatste buurt werd ook een nieuw parkeerconcept uitgeprobeerd. Het was daarbij de bedoeling het autogebruik voor korte afstanden terug te dringen. Oudelandshoek moest een autoluwe wijk worden.  Eerst werden er de fietsroutes ingetekend, van de Bieshof recht de wijk in. Toen pas kwam het stratenplan voor auto’s. In de woonstraten kwam voor ieder huis één parkeerplaats. Voor tweede auto’s en bezoekers is er langs de Chico Mendesring extra parkeerruimte ingetekend. Met borden worden hier vandaan looproutes naar de woningen aangegeven. Daarover is bij de verkoop van de woningen juist ook de aandacht op gevestigd en voor veel eerste bewoners was het idee van een autoluwe wijk dan ook vaak juist een argument om er te willen wonen.

Maar vooral de bewoners die er later zijn komen wonen klagen steen en been over dit parkeer­systeem. In Oudelandshoek staan vooral wat duurdere woningen waar de bewoners vaak een tweede of zelfs derde auto hebben en ook graag hun bedrijfsauto voor de deur willen parkeren. Daardoor wordt er veel foutgeparkeerd. Hetzelfde zie je overigens ook in de andere buurten in Stadspolders.  Er wordt daarom gekeken of er meer parkeerplaatsen bij gemaakt kunnen worden, hoewel dat vaak ten koste gaat van voetgangersgebied of openbaar groen. Vaak ook komt dat neer op het legaliseren van plaatsen waar nu veelal illegaal geparkeerd wordt. Waardoor er ook mensen klagen dat ze gehoopt hadden in een rustige wijk te gaan wonen en nu steeds meer last hebben van al die rijdende of geparkeerde auto’s. Het blijft een mentaliteitskwestie. Mensen willen nu eenmaal wel de lusten van een autoluwe wijk, maar willen niet zelf de lasten daarvoor helpen dragen. De auto blijft immers een heilige koe.

Woonwagens

Ook in Oudelandshoek zijn een aantal bijzondere woonvormen te vinden. In het oog springen daarbij de tien woon-werkeenheden aan de Merbau en vijf aan de Amazone. Maar het meest opvallend, of misschien juist wel erg onopvallend, zijn de twee standplaatsen voor respectievelijk elf woonwagens aan de Merbau en 14 woonwagens aan de Amazone. Het lijkt een rare combinatie, woonwagens in een nieuwbouwwijk met verder toch wel dure woningen. Niet iedereen was er dan ook blij mee. Woonwagenbewoners hebben immers nog steeds de naam dat het allemaal autoslopers of criminelen zijn, met de nodige negatieve uitstraling naar de omgeving. Maar juist daarom was het nieuwe beleid om de kampen kleinschalig te integreren in een nieuwbouwwijk. Immers, juist in de afgelegen grotere woonwagenkampen buiten de bebouwde kom bestaat er weinig toezicht. In zo’n regionaal centrum aan de Wieldrechtse Zeedijk stonden ruim honderd woonwagens op een plek waar er maar 52 mochten staan. Voor de zgn. boventallige plaatsen werden nu kleinschalige kleine plaatsen gezocht. Oudelandshoek kreeg in 1996 twee van die plaatsen.

Dat beleid kreeg zeker in het begin behoorlijk veel weerstand. Niet alleen van de omwonenden van de nieuwe locaties, maar ook van de ‘kampers’ zelf. Beiden hadden vooroordelen naar elkaar. Na eerst mislukte plannen voor woonwagenlocaties bij Winkelcentrum Bieshof en langs de Groenezoom lukte het wel aan de Merbau. In het begin waren er ook daar wel eens problemen, maar met soms bemiddeling van de coördinator van de gemeente bleken de vooroordelen al snel misplaatst. “Problemen zijn er overal. Dat is niet specifiek voor woonwagenbewoners. Vaak is het koudwater­vrees en na enige tijd is men aan elkaar gewend en dan blijken buurt- en woonwagen­bewoners op een goede manier naast elkaar te kunnen leven”, zei coördinator Huib Kortland in 1999 tegen de Polderkrant. Zijn verhaal werd toen bevestigd door buurvrouw Marion Jansen. “Ik vraag me eerder af of de woonwagenbewoners niet meer last hebben van ons dan wij van hen.”

Milieuvriendelijk bouwen

In Oudelandshoek werd ook veel aandacht besteed aan milieuvriendelijk bouwen. Zo is er besloten om zoveel mogelijk woningen op het zuiden te oriënteren om maximaal te profiteren van zonlicht en zonnewarmte. Het regenwater uit het gescheiden rioolstelsel wordt zoveel mogelijk op het open water in de singels geloosd. Gebruik van tropisch harthout is, ondanks de naamgeving van de straten, niet toegestaan. Bijzonder is ook het project langs de Randweg aan de Iroko waarbij 22 woningen zijn voorzien van groene vegetatiedaken en andere op milieubesparing gerichte voorzieningen. Er wer­den al zonnepanelen in de gevel opgenomen en de huizen beschikken over een warmtepompinstal­latie en hoog-rendements­glas. Verder dienen de huizen zelf als geluidswering voor woningen erachter, zonder zelf last te hebben van geluidsoverlast.

De Biezenlanden

Het project aan de Iroko is een groot succes geworden maar het project Biezenlanden aan de Makoré was minder succesvol. Eind 1998 kwamen de 47 woningen op de markt. Het was op het hoogtepunt van de huizengekte; sommige van de latere bewoners bivakkeerden een nacht voor de deur van de makelaar. En dat allemaal om voor slechts 155.000 euro een woning te krijgen met 180 vierkante meter oppervlakte, prachtig gelegen vlak bij de Wantijdijk. De houtskeletbouwpanden werden duurzaam gebouwd met oog voor het milieu. Het moest een ‘nationaal voorbeeldproject duurzaam bouwen’ worden. Maar zo duurzaam bleken die huizen helemaal niet te zijn. 

Al tijdens de bouw ging het nodige mis. Het eerste blok dat opgetrokken werd stond helemaal scheef. En de muren golfden ook. De Vereniging Eigen Huis onderzocht de panden en concludeerde dat alles wat in een bouwproject mis kan gaan hier ook mis is gegaan. Het houten skelet is nat geworden terwijl dat niet mocht, het stond uit het lood en kozijnen en ramen stonden scheef en onder spanning. Slopen en opnieuw opbouwen, was het advies. De bouw kwam eind september 1999 stil te liggen. De helft van de woningen werd afgebroken en opnieuw opgebouwd, de andere helft opgeknapt. Maar toen de bewoners er vanaf november 2000 toch introkken, bleken de problemen eerder toe- dan afgenomen te zijn. TNO verklaarde de woningen brandonveilig.

De Biezenlanden Dordrecht 3 jaar na oplevering. Het gebouw wordt afgebroken.

De bewoners hadden nagenoeg geen mogelijkheid de schade te verhalen. De bouwer was inmiddels failliet gegaan en de garantiestichting Woningborg was niet toeschietelijk. Onder de gezinnen die met spoed moeten verhuizen voltrekt zich een sociaal drama. Uiteindelijk greep de minister in. De bewoners kregen een vergoeding waar ze in eerste instantie niet tevreden over waren, maar ze kozen uiteindelijk eieren voor hun geld en gingen toch akkoord.

De huizen werden in 2003 alsnog allemaal afgebroken en een jaar later werden nieuwe woningen gebouwd. Dit keer lukte het wel. Een nieuwbouwplan met een nieuwe projectontwikkelaar en nieuwe bewoners, die er sindsdien met veel genoegen wonen.

Ouderenhuisvesting

De eerste bewoners van Stadspolders woonden inmiddels al vijftien jaar in de wijk en de ooit jonge bewoners waren evenzoveel jaren ouder geworden. Ook trok de mooie groene wijk veel nieuwe oudere bewoners, zeker toen er ook een aantal appartementencomplexen verrezen die speciaal voor deze leeftijdgroep waren gebouwd. In 1991 was er al aan het Dudokerf boven het gezondheidscen­trum en apotheek een ouderencomplex met 72 zelfstandige huur-appartementen neergezet.

In 1994 heeft een groep actieve ouderen een heel appartementencomplex met aan van de woning­bouwvereniging aan de Palissander ter beschikking gekregen. Ze noemen zich ‘Oude(R)landshoek’. Het is echt een woongemeenschap en ze omschrijven het zelf als een “maatschappelijke LAT-relatie”. Vijftien jaar na de oprichting vertelde Cas van der Linden, indertijd voorzitter van de Vereniging Groepswonen van Ouderen: “Eenzaamheid onder ouderen is een groot probleem. Groepswonen is dan een ideale oplossing. We zijn altijd voor elkaar bereikbaar, wisselen veel kennis met elkaar uit en organiseren gezamenlijke activiteiten. Die opzet zorgt ervoor dat mensen langer zelfstandig kunnen wonen.”

Oude(r)landshoek

De bewoners, zowel alleenstaanden als koppels, blijven in actie met activiteiten als nordic walking en spelavonden, minimaal zes keer per maand wordt er gezamenlijk koffiegedronken en regelmatig wordt er samen gekookt en gegeten. “Mensen zien ons als een soort bejaardenhuis, maar dat is absolute kul. En we zijn ook geen soort sekte, zoals sommigen denken. We zijn gewoon een groep mensen die ook regelmatig een verschil van mening heeft.” Wie zich aanmeldt als toekomstige bewoner van Ouderlandshoek moet zich wel realiseren dat Groepswonen voordelen heeft, maar ook verplichtingen met zich meebrengt. “De vereniging moet ook bestuurd worden en er moeten dingen georganiseerd worden”, somt Van der Linden op. “Daarom streven we naar evenwicht in de groep. Er is dus ook behoefte aan jongere, actieve senioren.”

Nog geen vijf jaar later, in december 1998, startte een tweede woongroep, Het Baken, tegenover de Bieshof aan het Bakema-erf. Ook hier wonen de leden van de woongroep in principe geheel zelfstan­dig. Men zorgt voor het eigen eten en wat dat betreft onderscheiden ze zich niet van andere flatbe­woners. Het verschil is met name de sociale geborgenheid. Men is bij elkaar betrokken. Ben je ziek, dan is er altijd wel iemand die even langskomt, een boodschapje doet of wat ook. Er is ook een gemeenschappelijke ruimte. Bij de oprichting van de woon­groep hebben ze dankbaar gebruik gemaakt van de steun en begeleiding van de bewo­ners van Oude(R)lands­hoek.

Er zijn later nog wel meer appartementencomplexen gebouwd waar inmiddels veel ouderen wonen, zoals de Loswalstaete, dat in juni 1999 werd opgeleverd. Het betreft hier weliswaar geen groepswo­nen, maar vanuit de VVE worden wel regelmatig activiteiten georganiseerd zoals fietstochten en gezamenlijke oudjaarsvieringen. Toen zij hun 20-jarig bestaan vierden in 2019 was de gemiddelde leeftijd van de bewoners inmiddels 80 jaar. Dat kan alleen maar als er een goede sociale contacten zijn waarbij de bewoners elkaar bijstaan. Die verjaardag werd gevierd met een dinner-avond waas de bewoners met een elektrisch treintje van Dordrecht-tours naar toe werden gereden. Vermeldingswaardig was dat van alle 32 oorspronkelijke bewoners er nog 24 bij de viering aanwezig waren. Zo kan met een goede saamhorigheid iedereen nog lang zelfstandig in hun appartement blijven wonen.

Sequoia

De Sequoia in aanbouw

Op 13 december 1997, vrijwel precies 17 jaar na het slaan van de eerste paal in Stads­polders, wordt met de bouw begonnen van wat het hoogste gebouw van Dordrecht zal worden.  De toren van de Grote Kerk in de binnenstad van Dordrecht is 65 meter hoog en in de binnenstad geldt dan ook de regel dat er daar nooit hoger dan 25 meter gebouwd mag worden. Daardoor is de kerktoren van grote afstand zichtbaar als baken in de wijde omgeving. De Sequoia is met 71 meter nu wel het hoogste gebouw op het Eiland van Dordrecht, maar inmiddels niet meer het hoogste bouw­werk. Dat zijn de windmolens langs de Dordtse Kil, waarvan de wieken zelfs tot een hoogte van 120 meter boven het maaiveld mogen komen. De Sequoia telt 19 verdiepingen en telt 73 appartementen en penthouses en is een ontwerp van de IJslands-Nederlandse architect prof. ir. Jón Kristinsson, hoogleraar Milieutechnisch Ontwerpen aan de Technische Universiteit van Delft. De appartementen waren indertijd niet goedkoop. De goedkoopste appartementen op de laagste woonverdieping kostten 285.000 gulden maar voor een penthouse hoog in de toren moest maar liefst 1.245.000 gulden neergelegd worden.

Eind 1999, precies twee jaar na het begin van de bouw, verhuisden de eerste bewoners naar de torenflat. Aan het einde van het millennium werd ook symbolisch het tweede decennium van Stadspolders afgesloten: twintig jaar bouwen aan deze laatste grote uitbreidingswijk van Dordrecht.

Eind 1999 had de Polderkrant een interview met de heer F. Haanstra, voorzitter van de Vereniging van Eigenaren van de Sequoia en eigenaar van een van de penthouses op de bovenste verdieping. Haanstra was daarvoor boer geweest op “De Griendheuvel”, een boerderij met 65 ha. grond aan de Noorderelsweg, dat hij echter ten behoeve van de natuurontwikkeling daar heeft verkocht.

“Toen ik voor het eerst de maquette van de Sequoia onder ogen kreeg was ik meteen wild enthousiast”, zei hij. “Veel mensen voorspelden ons dat we het er na drie maanden wel weer zat zouden zijn, maar het is hier werkelijk fantastisch wonen. We kunnen vanaf ons appartement onze oude boerderij zien en zeg nou zelf: vanaf hier heb je toch het mooiste uitzicht op het prachtige buitengebied Op het Eiland van Dordrecht.” Op dat moment ontbreekt hij het gesprek en wijst op een kudde reeën in de verte. Wat later wijst hij naar een aantal fazanten in de verte.

Niet lang na de opleveringen bleek er toch nog een kleine renovatie aan de ramen van de Sequoia nodig te zijn. Dat werd nog wel een spectaculaire opgave.

“Veel mensen voorspelden ons dat we het in de Sequoia na drie maanden alweer zat zouden zijn, maar als diezelfde mensen een keer boven zijn kunnen ze onze keuze goed voorstellen. Het is hier prachtig wonen. We kunnen vanuit ons appartement ons oude huis zien. En ik zal me niet vervelen. Ik vervul nog vele bestuursfuncties binnen de landbouworganisaties en het waterschap en dat blijf ik voorlopig doen. En ik heb nu eindelijk ook tijd voor leuke dingen, zoals het bezoeken van musea. Dat had ik vroeger nooit

De eerste Polderkrant

Het ontstaan van de wijkkranten

In september 1997 werd bij alle woningen in de Stadspolders de eerste Polderkrant in de bus gedaan. Daar was anderhalf jaar voorbereiding aan vooraf gegaan. Eind 1995 al was er bij alle huizen in de wijk een folder van DWO, de Dordtse Welzijns Organisatie, in de bus gekomen met de vraag wie er mee wou werken aan een wijkkrant voor Stadspolders die zes keer per jaar gratis huis-aan-huis verspreid zou gaan worden. In Dordrecht waren zo al in negen van de tien wijken wijkkranten opgericht en de Stadspolders zou de laatste wijk zijn waar dit zou gaan gebeuren. De response was groot. Zeker dertig mensen meldden zich aan en begonnen een lang traject waarin ze les konden krijgen in journalistiek schrijven, redactiewerk, opmaak en fotografie. Uiteindelijk bestond de eerste groep vrijwilligers die aan de eerste krant van 8 pagina’s werkte wel uit twintig mensen.

De eerste Polderkrant: Vóór de wijk, dóór de wijk

Het idee van wijkkranten was in 1991 ontstaan bij Jan Wind, indertijd opbouwwerker in Wielwijk. Het ging toen slecht in die wijk. Een grote werkloosheid, een slechts sfeer, weinig aandacht van de gemeente en veel geluidsoverlast van het verkeer van de snelweg die er vlak lag. Jan begon er een buurtkrantje, de Wielwijk Ahoy, waardoor hij een aantal mensen wist te organiseren om aandacht te vragen voor de problemen. Samen kregen ze het zelfs voor elkaar dat Jan Pronk, indertijd PvdA-minister van Verkeer & Waterstaat en Paul Rosenmüller van Groen Links op bezoek kreeg. Die schrokken zo van de geluidsoverlast van de A16 dat een jaar later dat grote geluidscherm met die olifants­tanden was aangebracht. Ook de Staart had het later aan de Staarte­naar te danken dat ze eindelijk aan­dacht van de gemeentepolitiek kreeg. Wijkkanten begonnen dus het eerst in wijken die toen grote sociale problemen hadden. Na Wielwijk en De Staart kwamen er wijkkranten in Oud en Nieuw Krispijn, Crabbehof, de binnenstad, Reeland, Sterrenburg en Dubbeldam. De Polderkrant voor Stadspolders was in 1997 als tiende wijkkrant de hekkensluiter. De organisatie die de wijkkranten ondersteund heet sindsdien Tienplus. Dat er in Stadspolders pas als laatste wijk een wijkkrant begon wil niet zeggen dat er geen sociale problemen zijn. Het is een beetje een slaapwijk en daardoor kennen de mensen elkaar niet zo goed. Er is weinig sociale cohesie, heet dat in ambtelijke taal. Maar is dat erg? De wijk mag dan een beetje een slaapwijk zijn, maar het is zeker ook een droomwijk.

Behalve Jan Wind moet ook de naam van Ria Besjes genoemd worden als stuwende kracht van de wijkkranten. Ria kwam uit Wielwijk waar ze meehielp aan de Wielwijk Ahoy. Later ontpopte ze zich als een zeer enthousiast docente journalistiek die de vrijwilligers uit Stadspolders die samen de Polderkrant gingen maken journalistieke cursussen gaf en begeleide naar de eerste Polderkrant. En nog steeds werkt ze, in 2020 inmiddels 77 jaar oud, voor de wijkkrant voor het Centrum, De Poorter. Ook zijn er vervolgcursussen gegeven door de Dordtse journalist Frits Baarda.

Wat speelde er in 1997?

Maar waar schrijf je over? Stadspolders staat bekend als een saaie nieuwbouwwijk zonder veel problemen. Maar is dat wel zo? Ten dele wel natuurlijk. De werkloosheid is laag en de tweeverdie­ners ontvluchten overdag de wijk naar hun werk waardoor de vele files ’s morgens richting Rotterdam en het haperend openbaar vervoer de grootste problemen lijken. Toch was er wel degelijk meer om over te schrijven en dat is dan ook gebeurd. Zeker in het begin was er veel aandacht voor de jeugd. In de eerste krant was er een gesprek met de toen­malige voorzitter van de Speeltuin­vereniging Peter Koster en een interview met Mireille Mes, oprichtster en toen nog directrice van Okidoki, het kinder­dagverblijf in de wijk.

Kongeren Ontmoetings Plek naast de halfpipe wordt schoongemaakt

Verder stond er een groot artikel in over de plannen voor een JOP, een Jongeren Ontmoe­tings Plek, vlak naast de halfpipe.  Er hingen toen veel jongeren rond die zich beklaag­den dat er in Stadspol­ders niets voor ze te doen was en dat ze daardoor in de wijk zomaar wat rond­hingen. In 1995 was er zelfs een vaste politiepost in een woonhuis aan het Selma Lagerlöferf gekomen, van waaruit goed uitzicht was op het speelplein van de scholen daar, waar ’s avonds de hangjeugd zich ophield. Wijkagent Bas Maris spande zich toen al tweeënhalf jaar in om een JOP naast de halfpipe voor skaters bij het Simon Vestdijkerf te krijgen. “Voor de politie is zo’n JOP belangrijk als verwijsmogelijkheid”, vertelde hij optimistisch. ”Als hangjongeren in de wijk overlast geven, kunnen we tegen ze zeggen: hier kan je echt niet blijven, ga daar maar naar toe, daar is een plek speciaal voor jullie”. Die JOP is er inderdaad gekomen, maar veel opgelost heeft het toen niet. Het aantal hangjongeren is 25 jaar later flink gedaald en daarmee is ook de overlast grotendeels verdwenen. 

Verder stond er in de rubriek ‘Bouwplaats’ een verhaal over die inmiddels gezichtsbepalende Sequoia. Op de foto stond een bouwbord voor een toen nog leeg grasveld. En in de rubriek “Stadspolders Natuurlijk” stond een interview met Jacques van der Neut, sinds 1983 boswachter bij Staatsbosbeheer voor de Biesbosch en sinds 1987 ook inwoner van Stadspolders. Inmiddels wordt er niet zoveel meer gebouwd in onze wijk. De meeste lege plekjes zijn inmiddels volgebouwd. Maar er blijft nog genoeg om over te schrijven. Het gebrek aan parkeerplaatsen, of zo u wilt het te veel aan auto’s, blijft een steeds terugkerend onderwerp, evenals het geklaag over hondenpoep en zwerfvuil. Maar het hoofddoel van de Polderkrant is toch vooral te schrijven over de mensen, een spreekbuis te zijn van de bewoners. Leuke hobby’s, maar vooral ook wijkactiviteiten, vrijwilligersactiviteiten, voor sport, kerk, speeltuin maar ook voor Kosovo of Bamenda. Om inwoners van Stadspolders met elkaar in contact te brengen; het bevorderen van de ‘sociale cohesie’, zoals dat in overheidsrapporten zo ambtelijk wordt verwoord. De communicatie binnen de wijk bevorderen. Dat was vanaf het allereerste begin de hoofddoelstelling van de wijkkranten en dat is het nog steeds. Er is niet zo veel veranderd.

Sociaal-cultureel werk, Jongerenwerk en Opbouwwerk

Een wijk was in de jaren ’80 niet volledig zonder een jongerenwerker, en een wijkcentrum waar allerlei activiteiten voor jongeren, maar ook voor ouderen, werden georganiseerd. In de Stadspolders was daar ook al direct ’t Erfje voor gebouwd, dat werd beheerd door de Stichting Welzijnswerk Dordrecht.  In de eerste Polderkrant stond dan ook een uitgebreid interview met de nieuwe sociaal-cultureel werkster, Suzanne Veenman, over de nieuwste activiteiten die er in het wijkcentrum plaats zouden gaan vinden.  Ze was, zo bleek uit het interview, eigenlijk ingehuurd om orde op zaken te stellen. De activiteiten in het wijkcentrum werden voorheem veel te amateuristisch en te vrijblijvend georganiseerd en de gemeente vond dat het allemaal veel strakker moest worden georganiseerd. Het no-nonsense tijdperk was aangebroken en het buurtwerk moest zakelijker en doelgerichter worden ingevuld. Zo moest ook de naam ’t Erfje verdwijnen. Veel te soft.  In het vervolg heette het centrum gewoon: Wijkcentrum Stadspolders.

Maar in de lijst met activiteiten die ze organiseerde klonk nog wel heel erg naar de jaren ’70. Er kwamen nieuwe cursussen Shantala babymassage, Ritme en dans, callanatics, ouderengymnastiek, toneel, bloemschikken, creatief werken met fimo en brooddeeg, muziekles voor kinderen, vingerverven, de cursus ‘vrouwen-creatief’ en een bingo. Maar er werd ook een cursus EHBO en Engels voor beginners gegeven en hulp bij het invullen van de belastingaangifte. En verder was er een ruimte voor Speel-O-Theek De Toverlantaarn, oefende Kindertheater Rataplan er en was er een vergaderzaaltje dat gehuurd kon worden. De Polderkrant kon er gelukkig gratis in voor de tweewekelijkse redactievergaderingen van een zaaltje gebruik maken.

Suzanne klaagde er ook over dat er in ’t Erfje helaas weinig ruimte meer was om voor de wat oudere jongeren iets te doen. Haar hoop was daarom gevestigd op de verhuizing van het wijkcentrum naar het nog te bouwen Palet in 2002. Daar zou ook een multifunctionele spelzaal komen waar van alles in georganiseerd kon gaan worden.

De sociaal-cultureel werkers bleken elkaar in een sneltreinvaart op te volgen. In 1998 werd Suzanne Veenman alweer opgevolgd door Dick Doeswijk, die er een pragmatische benadering op nahield: “Weet je, door de jarenlange bezuinigingen is er veel aan het veranderen. Voorheen had je iemand voor het opbouwwerk en een ander die cultureel werk deed. Ik stel het tot mijn doel om het cultureel- en het opbouwwerk elkaar te laten versterken”. Maar ook Dick bleef niet lang en in 2001 kwam Monique Goudmijn die taak vervullen om in 2003 alweer opgevolgd te worden door Arnout Bakker. En Arnout werd bij zijn vertrek helemaal niet meer opgevolgd. Bezuinigingen. Het opbouwwerk was inderdaad inmiddels verhuisd van ’t Erfje naar de bovenste verdieping van het Palet en daar was de huur zo hoog dat er weinig budget meer overblijft voor zinvolle activiteiten. 

De wijkcoördinator en het Groot Wijkoverleg

De Wijkcoördinator heeft een heel andere taak dan de Opbouwwerker. Hij is in dienst van de gemeente, afdeling Wijkgericht Werken, en heeft als taak de afstand tussen de gemeente en de burger te verkleinen. Voorheen was er daarvoor in elke buurt een buurtcoördinator aangesteld die ook daadwerkelijk in de buurt hun kantoor hadden. Maar door bezuinigingen werd het aantal buurtcoördinatoren ingekrompen en werd er stedelijk maar budget voor één coördinator per wijk beschikbaar gesteld. En de vacature voor Stadspolders was bovendien nog altijd vacant.

Toch werden er vanuit het Stadskantoor aan de Spuiboulevard wel degelijk jaarplannen gemaakt voor de wijk en die plannen werden ook telkens in een groot wijkoverleg met vertegenwoordigers uit de wijk besproken. Bij het overleg van het jaarplan voor 1998 was daar ook voor het eerst ook de Polderkrant bij die daar op de voorpagina uitgebreid verslag van deed. Wat waren toen de hoofdthema’s?

Er werd geconstateerd dat de nog nieuwe wijk nog nauwelijks sociale problemen had. Het hoofd­thema was eigenlijk het gebrek aan ruimte. Er was voor de wat jongere jeugd een groot gebrek aan speelveldjes en ook voor de oudere jeugd was er weinig te doen. De halfpipe en de geplande JOP moest daar echter een oplossing voor bieden.  Maar het grootste probleem dat door de bewoners werd aangekaart was het parkeerprobleem. Bij het ontwerp van de wijk was volgens de bewoners een grote inschattingsfout gemaakt bij het aantal parkeerplaatsen per woning met als gevolg dat er overal auto’s hinderlijk foutgeparkeerd werd.

Maar het meest prangende probleem was toen de doorstroming op de Provincialeweg. Zowel in de ochtendspits als de avondspits stond daar een enorme file, waardoor niet alleen de auto’s maar ook de stadsbussen tot soms wel een half uur in de file stilstonden. De aanwezige ambtenaren konden alleen maar toezeggen dat er nu gedacht wordt aan het aanleggen van een busbaan en een betere doorstroming voor de fietsers. Voor een goede oplossing voor het overige verkeer was vooralsnog nog geen snelle oplossing voorhanden. “Daar wordt nog over nagedacht.”

Tenslotte werd er nog gesproken over de invulling van alle ‘open plekjes’ die er overal nog in de wijk waren. Wat waren allemaal nog potentiële bouwlocaties die nog niet ingevuld waren.  Dat waren reservelocaties die ooit heel bewust nog opengelaten waren gebleven juist om die later te kunnen gebruiken voor wat dan nodig zou blijken te zijn. Dat was indertijd een heel logische gedachte, maar nu wilde men toch wat meer duidelijkheid.  Wat waren de plannen daar nu voor? Kwam daar misschien nog hoogbouw of werden daar juist parkjes of speelveldjes voor kinderen aangelegd? 

Werkgelegenheid

Stadspolders was een echte woonwijk geworden. Er was daardoor erg weinig werkgelegenheid in de wijk zelf. Er waren natuurlijk de twee winkelcentra, de gezondheidscentra, 15 woonwerkeenheden aan de Merbau en de Amazone en wat andere kleine dienstverlening maar verder was er eigenlijk niets in de wijk zelf. Dat viel extra op toen langzamerhand alle bouwvakkers ook begonnen te verdwijnen. En het failliet in 1996 van Fokker in Papendrecht was ook voor veel gezinnen in Stadspolders een drama omdat een relatief groot aantal werknemers in Stadspolders woonden.

Dierenziekenhuis

Er was aan de Ploegstraat, Egstraat en de Sikkelstraat, waar wat bedrijvigheid was, waaronder het CBR, de bouwmarkt Fixit (later de Jozua kerk), sportcentrum Pentagon en wat andere bedrijvigheid, maar voor een volwassen wijk met intussen zo’n twintigduizend inwoners was dat toch erg weinig.

In 1997 werd daarom de eerste paal geslagen voor een nieuw bedrijventerrein aan de JanValster­­weg. “Romeinse Allure op bedrijvenpark Groene Zoom” straalde het bouwbord uit dat langs de toegangsweg naar Oudelandshoek stond. Voor deze opdracht had de gemeente een prijsvraag uitgeschreven die werd gewonnen door Projectontwikkelaar Stam & De Koning en architect Cornelis van de Ven. Zij hebben de eerste negen bedrijfspanden ontworpen in een stijl die heel Romeins aandoet. De panden daarachter waren wat minder luxe maar ook daar was veel aandacht besteed. Ook was er veel groen tussen de kavels. Het zag er goed uit en dat doet het nog steeds. Maar het belangrijkste was dat de 25 bedrijven die daar kwamen, waaronder ook een dierenzieken­huis, aan zeker 200 mensen hoogwaardig werk boden.

Niet ver daar vandaan werd in 1998 aan de Chico Mendesring het Dijckhuis geopend en aan de Merbau het Polderhuis. Beiden huizen zijn locaties die behoren bij het Parkhuis aan de Provinciale­weg. In het Dijckhuis is plaats voor 42 mensen die lijden aan het syndroom van Korsakov en in het Polderhuis aan 18 patiënten met dementie of Korsakov.  Om ze een zinvolle dagbesteding te geven werken veel bewoners onder begeleiding bij Werkplaats in Bedrijf aan de Egstraat. Daar voeren ze eenvoudige werkzaamheden uit zoals inpak-, montage- of kopieerwerk.

Fietsenwekrplaats

De buurtbewoners reageerden in eerste instantie niet positief op de komst van beide huizen. “Er was een hoop verzet in het begin”, zo vertelde afdelingsmanager Marjan van der Dussen van het Dijck­huis tien jaar later tegen de Polderkrant.” Maar onze bewoners veroorzaken geen overlast.  We werken zelfs veel samen met de buurt. Er loopt nu een proef met het Wellantcollege. Zij komen hierheen om kerstbomen te versieren en met de bewoners kerststukjes te maken. Geregeld gaat een groep van ons meehelpen met verzorgen van de dieren op het Wellantcollege. De kinderen van Groenland, hier naast ons, bakken in de vakantie bij ons koekjes en de kinderen van de Johan Frisoschool vinden het leuk om hier te zingen met de kerst. Kortom, in de loop der jaren hebben we een wijkfunctie gekregen.”

In de buurt werd ook Werk­plaats Amazone gevestigd, De werkplaats behoort bij De Stijger, een behandelkliniek voor jongeren met een autis­mestoornis. Maar het is ook een werkplaats voor de meest uiteenlopende reparaties aan fietsen. Van volledige servicebeurten tot het plakken van banden, alles kunnen deze jongeren goed en goedkoop onder goede begeleiding.

Ook was er een stuk over de plannen van Stichting Kinderboerderij Dierenlandshoek om aan de Amazone een kinderboerderij op te zetten. Het Wellant College (toen nog Groene Delta College), Kinderdagverblijf Groenland, en De Grote Rivieren, die daar een opvanghuis voor autistische kinderen aan het realiseren was, waren enthousiast. Ook de gemeente wilde meebetalen op voorwaarde dat er ook uit de wijk een bijdrage kwam.

Bouwtekening van het nooit gerealiseerde Dierenlands­hoek

De combinatie het Wellantcollege, de Werkplaats Amazone en kinderdagverblijf Groenland bracht een aantal wijkgenoten op het idee voor het oprichten van een Kinderboerderij. Iedereen was enthousiast. Er werd een Stichting Kinderboerderij opgericht, verschillende organisaties zegden bijdragen ter beschikking, de aannemer die De Stijger had gebouwd stelde voor de kinderboerderij tegen kostprijs te bouwen, diverse andere organisaties zegden donaties toe, vrijwilligers uit de buurt zouden meehelpen met de bouw en een deel van de het latere onderhoud op zich nemen. Maar het bleek uiteindelijk allemaal toch niet genoeg. De organisatoren kregen het uiteindelijke kostenplaatje niet rond. Het idee waar iedereen enthousiast over was, bleef wat het was: een goed idee. Het werd nooit uitgevoerd.

Huisartsenpraktijk Amazone

Er kwam nog meer werkgelegenheid, ook in de medische zorg. Door de uitbreiding in Oudelandshoek was er het gezondheidscentrum aan het Dudokplein niet meer toereikend en was er behoefte aan een tweede huisartsenpraktijk en apotheek. Al op 10 augustus 1995 vestigden de huisartsen Marnix Tober en Ellen Wilhelmus zich in Stadspolders, maar voordat ze zich konden vestigen in hun nieuwe praktijk aan de Amazone opende ze hun praktijk eerst tijdelijk in een woonhuis aan de Selma Lagerlöferf, niet ver van Okidoki. Drie jaar later was het Gezondheidscentrum Amazone klaar en op 3 augustus 1998 waren er behalve de twee huisartsen ook een fysio-praktijk en een apotheek.

Met de Polderkrant besprak dokter Tober toen de opvallendste medische bijzonderheden van de wijk. Ten eerste waren dat toen de grote aantallen zwangerschappen, waardoor hij ook veel tijd bestede aan kraamvisites en kinderziekten. Maar ook het grote aantal mensen met geestelijke problemen viel hem op. Dat kwam volgens hem doordat veel mensen van buitenaf zich in Stadspolders vestigden die er heg nog steg kenden en daardoor vereenzaamden. Het belang van de huisarts als sociaal raadsman was dan ook niet te onderschatten.

Daar had dokter Tober een belangrijk probleem verwoord dat de Stadspolders parten begon te spelen. In de eerste pioniersjaren heerste er nog een goede pionierssfeer, een saamhorigheidsgevoel van samen iets nieuws opbouwen. In sociologische termen heet dat “Sociale cohesie”, een gevoel van verbondenheid en samen de schouders eronder. Maar dat speelde vooral in de eerste tien pioniers­jaren.  Na twintig jaar was die sociale cohesie langzaam verdwenen. Ieder leefde er zijn eigen leven.

Het behouden van historische lijnen in de Stadspolders

De Stadspolders was rond het jaar 2000 zo ongeveer volgebouwd. Een grote nieuwbouwwijk in waar vroeger zompig graslandpolders lagen met relatief lage kades en dijken en een aantal landbouw­we­gen, de Middelweg, de Loswalweg en de Bildersteeg, veelal geflankeerd door hoge bomenrijen. Dat waren waardevolle onderdelen in het polderlandschap waar de ontwerpers van de nieuwe wijk goed rekening mee hebben gehouden. Zoveel mogelijk zijn deze wegen in het stedenbouwkundig ontwerp opgenomen. Vrijwel alle historische lijnen zijn nog steeds zichtbaar. Slechts een paar relatief korte lijnen zijn noodgedwongen doorsneden en ook is er een belangrijke lijn domweg vergeten. Arij van der Stelt, indertijd een van die ontwerpers, vertelt:

Spoorlijn

“De aanleg van de spoorlijn, medio de 19e eeuw, veroorzaakte al een radicale ingreep. Zo’n spoor­dijk was toen natuurlijk moeilijk in te passen, alles moest er voor wijken. De Loswalweg en Middelweg werden toen door­gesneden. De spoordijk en Noordendijk kruisen elkaar. In eerste instantie met een spoorwegover­gang in de route op de Noordendijk die later is afgesloten. Later doorsneed een hoogspanningslijn de bomenrij van de Bildersteeg.

Ontwerp Stadspolders

Bij het ontwerpen van Stadspolders eind jaren ’70 vorige eeuw werd enerzijds ingezet op behoud van oorspronkelijke landschappelijke elementen, maar tegelijkertijd werd daarop een aanslag ge­pleegd. Twee toegangswegen, Hastingsweg en Recklinghausenweg veroorzaakten dijkdoorbra­ken. En beide wijkverzamelwegen, Stadspolderring en Chico Mendesring, doorsnijden op diverse plek­ken de oorspronkelijke landbouwwegen. Ook de Loswalweg kreeg een coupure nabij de Sequoia en een onderbreking in de bomenrij bij de kruising met de Wantijdijk.

Bijgevoegde kaartjes illustreren behouden en verdwenen landschappelijke elementen.

Oude kaart met aangegeven wat is behouden
Nieuwe kaart met aangegeven wat is behouden en aangetast

Kade rondom de Nieuwe Noordpolder

De bescheiden kade rondom de historische Nieuwe Noordpolder werd tijdens het ontwerp voor Oudelandshoek domweg niet opgemerkt. Gevolg: tijdens de bouw van Palissander in Oudelandshoek werd een deel van dit kleine dijkje afgegraven. Een alarmerend telefoontje van Dr. Henk Visscher, voorzitter van Stichting Nationaal Landschapskundig Museum, was nodig om de ontwerpers wakker te schudden. Dit betekende de redding van de resterende 400m van de kade langs de Branco en Amazone, minus de opening voor de Chico Mendesring. Het dijkje functioneert nu voor een gedeelte als geluidswal en biedt plek aan narcissen die elk voorjaar voorzichtig de boodschap verkondigen “Stop zinloos geweld”.